1
Verb[I]
kühler werden; Wärme verlieren
áfkoelen
Aussprache
Etymologie
Von niederländisch af- mit der Bedeutung ‚hinab, weg‘ und koelen ‚kühlen‘.
Beispiele
De soep moet eerst afkoelen.
De sóep móet éerst áfkoelen.
Die Suppe muss erst abkühlen.
Laat de motor afkoelen voordat je hem aanraakt.
Láat de mótor áfkoelen voordát je hem áanraakt.
Lass den Motor abkühlen, bevor du ihn anfasst.
Synonyme
Kollokationen
KI-generiert