1
Adjektivpredicative and attributive adjective; past participle of irriteren
verärgert, wütend oder ungeduldig, weil etwas lästig oder frustrierend ist
geïrritéérd
Aussprache
Etymologie
Past participle of Dutch irriteren, ultimately from Latin irritare, “to excite, provoke, irritate,” via French or learned usage.
Beispiele
Hij klonk geïrriteerd aan de telefoon.
Híj klónk geïrritéérd aan de telefóón.
Am Telefon klang er verärgert.
Ze reageerde geïrriteerd toen hij haar onderbrak.
Zé reagéérde geïrritéérd tóen híj háár onderbrák.
Sie reagierte verärgert, als er sie unterbrach.
Synonyme
Antonyme
Kollokationen
KI-generiert