1
SubstantivDer Verlauf von Ereignissen in Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft; ein bestimmter Moment oder Zeitraum.
'tijd
Aussprache
Beispiele
Heb je tijd voor een gesprek?
Heb je 'tijd voor een ge'sprek?
Hast du Zeit für ein Gespräch?
De tijd vliegt.
De 'tijd 'vliegt.
Die Zeit vergeht wie im Flug.
KI-generiert