1
noun[C]
the mother of one’s spouse or partner; mother-in-law
schóonmoeder
Pronunciation
Etymology
Compound of Dutch schoon- in kinship terms meaning ‘related by marriage’ and moeder ‘mother’.
Examples
Mijn schoonmoeder komt vanavond eten.
Míjn schóonmoeder komt vanávond éten.
My mother-in-law is coming to eat tonight.
Ze kan goed opschieten met haar schoonmoeder.
Zé kan góed ópschieten met háar schóonmoeder.
She gets along well with her mother-in-law.
Collocations
mijn schoonmoeder
je schoonmoeder
goed opschieten met je schoonmoeder
bij de schoonmoeder op bezoek
AI Generated