1
sustantivo[U]
lástima, compasión o tristeza compasiva por alguien que sufre o está en apuros
medelíjden
Pronunciación
Etimología
Compound of Dutch mede (“with, co-”) and lijden (“suffering”); literally “suffering with”.
Ejemplos
Ze voelde medelijden met de zieke hond.
Ze vóelde medelíjden met de zíeke hónd.
Sintió lástima por el perro enfermo.
Ik heb geen medelijden met mensen die anderen bedriegen.
Ik héb géén medelíjden met ménsen die ánderen bedríegen.
No siento lástima por las personas que engañan a otros.
Uit medelijden gaf hij haar wat geld.
Uit medelíjden gáf hij háár wat géld.
Por compasión, le dio algo de dinero.
Colocaciones
medelijden hebben met
medelijden voelen
uit medelijden
geen medelijden hebben
medelijden opwekken
Generado por IA