1
sustantivo[C; de-word; plural: stiefzonen or stiefzoons]
hijastro; hijo del cónyuge o la pareja de uno de una relación anterior
stíefzoon
Pronunciación
Etimología
Compuesto de stief- «de padrastro; relacionado por nuevo matrimonio» y zoon «hijo».
Ejemplos
Hij heeft een stiefzoon uit zijn tweede huwelijk.
Híj hééft een stíefzoon uit zijn twééde húwelijk.
Tiene un hijastro de su segundo matrimonio.
Mijn stiefzoon komt dit weekend logeren.
Míjn stíefzoon kómt dit wéékend logéren.
Mi hijastro viene a pasar el fin de semana.
Na het huwelijk kreeg zij er een stiefzoon bij.
Na het húwelijk kréég zij er een stíefzoon bíj.
Después del matrimonio, ganó un hijastro.
Colocaciones
zijn stiefzoon
haar stiefzoon
een volwassen stiefzoon
een jonge stiefzoon
Generado por IA