1
adjectifadjective; usually used predicatively or attributively; comparative: ontevredener, superlative: meest ontevreden
Insatisfait ; qui n’est pas content ou satisfait d’une situation, d’un résultat, d’une personne ou d’une chose.
ontevréden
Prononciation
Étymologie
Formed from Dutch on- (“un-, not”) + tevreden (“satisfied, content”).
Exemples
De klant was ontevreden over de service.
De klánt was ontevréden over de sérvice.
Le client était insatisfait du service.
Ze is ontevreden met haar cijfer.
Ze is ontevréden met haar cíjfer.
Elle n’est pas contente de sa note.
Een ontevreden werknemer diende een klacht in.
Een ontevréden wérknemer diende een klácht in.
Un employé insatisfait a déposé une plainte.
Collocations
ontevreden zijn over
ontevreden zijn met
een ontevreden klant
ontevreden werknemers
ontevreden reageren
Généré par IA