1
명사[C]
의자; 한 사람이 앉는 가구로, 보통 등받이가 있고 때로는 팔걸이도 있다.
stóel
발음
어원
From Middle Dutch stoel, from Old Dutch stuol, related to German Stuhl and English stool.
예문
De stoel staat bij het raam.
De stóel staat bij het ráam.
의자는 창문 옆에 있다.
Ik zet een extra stoel aan tafel.
Ik zét een éxtra stóel aan táfel.
나는 식탁에 의자 하나를 더 놓고 있다.
연어
op een stoel zitten
een stoel aanschuiven
een stoel neerzetten
een comfortabele stoel
AI 생성