1
zelfstandig naamwoord[C]
Een eetbare zetmeelrijke knol, die gewoonlijk als groente wordt gekookt en gegeten; een aardappel.
áártappel
Etymologie
Uit Nederlands aardappel, letterlijk “aardappel”, van aarde “grond” + appel “appel”; de Afrikaanse spelling weerspiegelt de standaardvorm aartappel.
Voorbeelden
Ek skil 'n aartappel vir aandete.
Ék skíl 'n áártappel vir áándete.
Ik schil een aardappel voor het avondeten.
Die aartappel is nog warm.
Die áártappel is nóg wárm.
De aardappel is nog warm.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd