1
zelfstandig naamwoord[U]
Een gevoel van diep spijt of berouw over iets verkeerds wat men heeft gedaan.
beróu
Etymologie
Uit het Nederlandse berouw, verwant aan oudere vormen met de betekenis verdriet of boetvaardigheid.
Voorbeelden
Hy het diep berou oor sy fout gevoel.
Hý het díep beróu oor sy fóut gevóel.
Hij voelde diep berouw over zijn fout.
Sy berou was opreg.
Sy beróu was ópreg.
Zijn berouw was oprecht.
Ná die rusie het sy groot berou gehad.
Ná die rúsie het sy gróot beróu gehád.
Na de ruzie had zij groot berouw.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
berou hê
diep berou
opregte berou
berou toon
groot berou
AI-gegenereerd