1
werkwoord[T, I]
Eten; voedsel in de mond nemen, kauwen en doorslikken.
éét
Etymologie
Van Nederlands eten/eet, uiteindelijk uit het Proto-Germaans; verwant aan Engels eat.
Voorbeelden
Ek eet 'n appel.
Ék éét 'n áppel.
Ik ben een appel aan het eten.
Die kind eet sy kos stadig.
Die kínd éét sy kós stádig.
Het kind eet zijn eten langzaam.
Collocaties
AI-gegenereerd