1
zelfstandig naamwoord[C]
formeel
Een vrouw; een vrouwelijke echtgenoot.
eggenóte
Etymologie
Uit het Afrikaans eggenoot/eggenote, verwant aan het Nederlandse echtgenoot/echtgenote, letterlijk ‘huwelijksgenoot’; van eg/echt ‘wettig huwelijk’ en genoot ‘genoot, metgezel’.
Voorbeelden
My eggenote werk as dokter.
Mý eggenóte wérk as dókter.
Mijn echtgenote werkt als dokter.
Sy eggenote het hom by die onthaal vergesel.
Sý eggenóte hét hóm by die ontháal vergésel.
Zijn echtgenote vergezelde hem op de receptie.
Synoniemen
Collocaties
my eggenote
sy eggenote
geliefde eggenote
eggenote en kinders
AI-gegenereerd