1
bijvoeglijk naamwoordAttributieve vorm meestal goeie
Goed; van bevredigende kwaliteit, geschikt, aangenaam of moreel juist.
góed
Etymologie
Van Nederlands goed, uit Middelnederlands goet, verwant aan Engels good.
Voorbeelden
Die kos is goed.
Díe kós is góed.
Het eten is goed.
Hy is goed met kinders.
Hý is góed met kínders.
Hij is goed met kinderen.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd