1
werkwoordAls hulpwerkwoord vormt 'het' samen met een 'ge-'-deelwoord de verleden tijd.
Vorm van 'hebben' die bezit aanduidt of als hulpwerkwoord de verleden tijd vormt.
/ɦət/
Voorbeelden
Ek het twee katte.
Ik heb twee katten.
Sy het gister gekom.
Zij kwam gisteren.
AI-gegenereerd