1
zelfstandig naamwoord[U]
bloem; een fijn poeder dat wordt gemaakt door graan, vooral tarwe, te malen en dat wordt gebruikt om te bakken
méel
Etymologie
Van Nederlands meel, uiteindelijk uit een Germaanse wortel met de betekenis ‘gemalen graan’, verwant aan Afrikaans maal (‘malen’).
Voorbeelden
Ek koop meel vir die brood.
Ek kóóp méel vir die bróód.
Ik koop meel voor het brood.
Sy sif die meel voordat sy bak.
Sy síf die méel voordát sy bák.
Zij zeeft het meel voordat ze bakt.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd