1
bijvoeglijk naamwoordootmoedig; bescheiden; niet trots of verwaand
néderig
Etymologie
Van Nederlands nederig, verwant aan neder met de betekenis ‘laag, neer’ plus het adjectivische achtervoegsel -ig.
Voorbeelden
Hy bly nederig ondanks sy sukses.
Hy blý néderig ondanks sy suksés.
Hij blijft bescheiden ondanks zijn succes.
Sy antwoord was nederig en opreg.
Sy ántwoord was néderig en ópreg.
Haar antwoord was bescheiden en oprecht.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd