1
zelfstandig naamwoordznw. [C]
Een oom; de broer van iemands moeder of vader, of de echtgenoot van iemands tante.
óom
Etymologie
Uit het Nederlandse oom, ‘oom’; verwant aan oudere Germaanse verwantschapstermen.
Voorbeelden
My oom kom môre kuier.
My óom kom môre kúier.
Mijn oom komt morgen op bezoek.
Haar oom woon in Pretoria.
Haar óom woon in Pretória.
Haar oom woont in Pretoria.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd