1
bijvoeglijk naamwoordbijvoeglijk naamwoord; gebruikt in het naamwoordelijk deel van het gezegde en attributief
opgewonden; met gretig enthousiasme voelend of tonend
opgewónde
Etymologie
Van Afrikaans opwind, „opwinden; opwinden”, waarbij de voltooide deelwoordvorm beïnvloed is door het Nederlandse opgewonden.
Voorbeelden
Die kinders is opgewonde oor die uitstappie.
Die kínders is opgewónde oor die úitstappie.
De kinderen zijn opgewonden over het uitstapje.
Sy was te opgewonde om te slaap.
Sy was te opgewónde om te slááp.
Ze was te opgewonden om te slapen.
Collocaties
AI-gegenereerd