1
werkwoord[T]
Een vloeistof of andere substantie roeren of mengen door er met een lepel of een soortgelijk voorwerp doorheen te bewegen.
róer
Etymologie
Van Nederlands roeren, met de betekenis „roeren, bewegen, aanraken”.
Voorbeelden
Roer die sop stadig.
Róer die sóp stádig.
Roer de soep langzaam.
Sy roer die suiker in die koffie.
Sy róer die súiker in die kóffie.
Ze roert de suiker door de koffie.
Collocaties
AI-gegenereerd