1
werkwoord[I]
te slapen; zich in een natuurlijke rusttoestand bevinden waarin de ogen gesloten zijn en het bewustzijn verminderd is
sláap
Etymologie
Van het Nederlandse slaap, verwant aan het Germaanse werkwoord voor slapen.
Voorbeelden
Die baba slaap in die wiegie.
Die bába sláap in die wíegie.
De baby slaapt in de wieg.
Ek slaap gewoonlik agt uur per nag.
Ék sláap gewóonlik ágt úur per nág.
Ik slaap gewoonlijk acht uur per nacht.
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd