1
zelfstandig naamwoordZelfstandig naamwoord [C]
Een meisje of vrouw in verhouding tot andere kinderen van dezelfde ouders; een zuster.
súster
Etymologie
Van Nederlands zuster, uiteindelijk van Proto-Germaans *swester; verwant aan Engels sister.
Voorbeelden
My suster woon in Kaapstad.
My súster wóón in Káápstad.
Mijn zus woont in Kaapstad.
Sy is my ouer suster.
Sy ís my óuer súster.
Zij is mijn oudere zus.
Collocaties
AI-gegenereerd