1
werkwoord[T, I]
Met iemand trouwen; in het huwelijk treden met iemand of getrouwd raken.
tróu
Etymologie
Van het Nederlandse trouwen, verwant aan trouw, dat ‘trouw, loyaal’ betekent; uiteindelijk uit Germaanse wortels die met vertrouwen en trouw verbonden zijn.
Voorbeelden
Sy wil volgende jaar trou.
Sý wíl vólgende jáár tróu.
Ze wil volgend jaar trouwen.
Ons trou Saterdag in die kerk.
Óns tróu Sáterdag ín die kérk.
We trouwen zaterdag in de kerk.
Hy trou met sy jeugliefde.
Hý tróu mét sy jéugliefde.
Hij trouwt met zijn jeugdliefde.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd