1
zelfstandig naamwoord[U]
vertrouwen; het vaste geloof dat iemand of iets betrouwbaar, eerlijk of in staat is om te doen wat verwacht wordt
vertróue
Etymologie
Uit Afrikaans vertrou, verwant aan Nederlands vertrouwen, met de betekenis “vertrouwen” of “vertrouwen hebben”.
Voorbeelden
Ek het volle vertroue in haar.
Ék het vólle vertróue in háár.
Ik heb volledig vertrouwen in haar.
Die span se vertroue het ná die oorwinning gegroei.
Die spán se vertróue het ná die óórwinning gegróei.
Het vertrouwen van het team groeide na de overwinning.
Collocaties
AI-gegenereerd