1
zelfstandig naamwoord[C]
Een volwassen vrouwelijk mens; een vrouw.
vróu
Etymologie
Van Nederlands vrouw, van Middelnederlands vrouwe, oorspronkelijk een beleefde term voor een dame of meesteres.
Voorbeelden
Die vrou lees 'n boek.
Die vróu léés 'n bóék.
De vrouw leest een boek.
Hy praat met die vrou by die deur.
Hy práát met die vróu by die déúr.
Hij praat met de vrouw bij de deur.
Collocaties
AI-gegenereerd