1
zelfstandig naamwoord[C]
een zakdoek; een klein stuk stof of tissue dat wordt gebruikt om de neus of het gezicht af te vegen
hánces
Etymologie
Ontleend aan het Engels handkerchief, aangepast tot de Welshe vorm.
Voorbeelden
Rhoddodd hi hances lân i'r plentyn.
Rhóddodd hi hánces lán i'r pléntyn.
Ze gaf het kind een schone zakdoek.
Roedd hances goch yn ei boced.
Roedd hánces góch yn ei bóced.
Er zat een rode zakdoek in zijn zak.
Synoniemen
Collocaties
hances lân
hances boced
hances bapur
chwythu trwyn mewn hances
AI-gegenereerd