1
werkwoord[T], scheidbaar werkwoord
een kledingstuk of iets wat je op het lichaam draagt aantrekken
ánziehen
Uitspraak
Etymologie
Afkomstig van het Duitse an- („aan, op”) + ziehen („trekken”); letterlijk „aan trekken”.
Voorbeelden
Du solltest eine warme Jacke anziehen.
Dú sólltest eine wárme Jácke ánziehen.
Je moet een warme jas aantrekken.
Ich will schnell meine Schuhe anziehen.
Ích wíll schnéll meine Schúhe ánziehen.
Ik wil snel mijn schoenen aantrekken.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd