1
zelfstandig naamwoord[C; mannelijk; meervoud: Äpfel]
Een ronde, eetbare vrucht met stevig vruchtvlees en een dunne schil, doorgaans rood, groen of geel; een appel.
'Apfel
Uitspraak
Etymologie
Uit Middelhoogduits apfel, uit Oudhoogduits apful; verwant aan Engels apple en andere Germaanse vormen.
Voorbeelden
Ich esse jeden Tag einen Apfel.
'Ich 'esse jeden 'Tag einen 'Apfel.
Ik eet elke dag een appel.
Sie schält den Apfel, bevor sie ihn isst.
'Sie 'schält den 'Apfel, bevor sie ihn 'isst.
Zij schilt de appel voordat ze hem eet.
Der Apfel fällt nicht weit vom Stamm.
Der 'Apfel 'fällt nicht weit vom 'Stamm.
De appel valt niet ver van de boom.
Collocaties
einen Apfel essen
einen Apfel schälen
ein reifer Apfel
ein saurer Apfel
Apfel und Birne
AI-gegenereerd