1
werkwoord[T, I]
bakken; voedsel, vooral brood, cake of gebak, bereiden of koken met droge hitte in een oven
bácken
Uitspraak
Etymologie
Uit het Middelhoogduits backen, van het Oudhoogduits bahhan, verwant aan Engels bake.
Voorbeelden
Wir backen heute einen Kuchen.
Wír bácken héute einen Kúchen.
We zijn vandaag een cake aan het bakken.
Sie hat frisches Brot gebacken.
Síe hat frísches Brót gebácken.
Ze heeft vers brood gebakken.
Der Kuchen muss noch zwanzig Minuten backen.
Dér Kúchen muss noch zwánzig Minúten bácken.
De cake moet nog twintig minuten bakken.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd