1
bijvoeglijk naamwoordpredicative or attributive adjective; inflects like a regular adjective
dat zich schaamt, beschaamd of verlegen voelt door iets wat men heeft gedaan of meegemaakt
be'schämt
Uitspraak
Etymologie
From the past participle of German beschämen, from be- + schämen, related to Scham “shame.”
Voorbeelden
Sie war beschämt über ihren Fehler.
Sie war be'schämt über ihren 'Fehler.
Ze was beschaamd over haar fout.
Beschämt senkte er den Blick.
Be'schämt senkte er den 'Blick.
Beschaamd liet hij zijn blik zakken.
Ich bin beschämt, dass ich so reagiert habe.
Ich bin be'schämt, dass ich so rea'giert habe.
Ik schaam me dat ik zo heb gereageerd.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd