1
werkwoord[T, I]; strong verb: brät, briet, hat gebraten
voedsel in heet vet of door droge hitte garen; bakken, braden of in de pan bakken.
bráten
Uitspraak
Etymologie
From Middle High German braten, from Old High German brātan, related to German Braten “roast meat.”
Voorbeelden
Wir wollen den Fisch braten.
Wír wóllen den Físch bráten.
We willen de vis braden.
Sie brät Zwiebeln in heißem Öl.
Síe brät Zwíebeln in héißem Öl.
Zij bakt uien in hete olie.
Collocaties
AI-gegenereerd