1
zelfstandig naamwoord[C]; vrouwelijk; meervoud: Cousinen
een vrouwelijke neef of nicht; de dochter van iemands tante of oom
Cousíne
Uitspraak
Etymologie
Ontleend aan het Franse cousine, de vrouwelijke vorm van cousin, uiteindelijk uit het Latijn consobrinus, met de betekenis ‘kind van moeders zus’ of ‘neef/nicht’.
Voorbeelden
Meine Cousine wohnt in Hamburg.
Meine Cousíne wóhnt in Hámburg.
Mijn nicht woont in Hamburg.
Ich besuche meine Cousine am Wochenende.
Ich besúche meine Cousíne am Wóchenende.
Ik ga in het weekend mijn nicht bezoeken.
Collocaties
meine Cousine
eine Cousine besuchen
Cousine ersten Grades
Cousine zweiten Grades
AI-gegenereerd