1
zelfstandig naamwoord[C, U]; vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Ehe, meervoud die Ehen
een wettelijk of maatschappelijk erkend huwelijk; de toestand of relatie van gehuwd zijn
Éhe
Uitspraak
Etymologie
Van Middelhoogduits ē, ewe, uit het Oudhoogduitse ēwa, oorspronkelijk met de betekenis ‘wet, gewoonte, huwelijk’.
Voorbeelden
Ihre Ehe hielt zwanzig Jahre.
Íhre Éhe híelt zwánzig Jáhre.
Hun huwelijk duurde twintig jaar.
Die Ehe ist in vielen Ländern rechtlich geschützt.
Die Éhe íst in víelen Lǟndern réchtlich geschǘtzt.
Het huwelijk is in veel landen wettelijk beschermd.
Sie gingen nach zehn Jahren Ehe auseinander.
Sie gíngen nach zéhn Jáhren Éhe auséinánder.
Na tien jaar huwelijk gingen ze uit elkaar.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
eine Ehe schließen
eine Ehe führen
in der Ehe leben
die Ehe scheiden lassen
eine glückliche Ehe
AI-gegenereerd