1
zelfstandig naamwoord[C]; mannelijk zelfstandig naamwoord: der Ehepartner; vrouwelijke vorm: die Ehepartnerin; meervoud: die Ehepartner
een echtgenoot; iemand met wie iemand wettelijk gehuwd is, vooral gebruikt als genderneutrale term voor man of vrouw
Éhepartner
Uitspraak
Etymologie
Een samenstelling van het Duitse Ehe, ‘huwelijk’, en Partner, ‘partner’.
Voorbeelden
Ihr Ehepartner begleitet sie zum Termin.
Íhr Éhepartner begléitet sie zum Termín.
Haar echtgenoot begeleidt haar naar de afspraak.
Der Ehepartner muss dem Antrag zustimmen.
Dér Éhepartner múss dem Ántrag zustímmen.
De echtgenoot moet met de aanvraag instemmen.
Beide Ehepartner unterschreiben den Vertrag.
Béide Éhepartner unterschréiben den Vertrág.
Beide echtgenoten ondertekenen het contract.
Collocaties
AI-gegenereerd