1
bijvoeglijk naamwoordpredicative or attributive adjective; comparative: empörter; superlative: am empörtesten
Verontwaardigd, geërgerd of erg boos omdat iets als oneerlijk, beledigend of onaanvaardbaar wordt gezien.
em'pört
Uitspraak
Etymologie
From the past participle of German empören, originally meaning ‘to rise up, revolt’ and later ‘to make indignant’.
Voorbeelden
Sie war empört über die Entscheidung.
Sie war em'pört über die Ent'scheidung.
Ze was verontwaardigd over het besluit.
Er klang empört, als er davon hörte.
Er klang em'pört, als er da'von hörte.
Hij klonk verontwaardigd toen hij ervan hoorde.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd