1
zelfstandig naamwoord[C]; vrouwelijk; meervoud: Enkelinnen
een dochter van iemands zoon of dochter; een kleindochter
Énkelin
Uitspraak
Etymologie
Van Duits Enkel “kleinkind, kleinzoon” plus het vrouwelijke achtervoegsel -in.
Voorbeelden
Meine Enkelin besucht mich am Wochenende.
Méine Énkelin besúcht mich am Wóchenende.
Mijn kleindochter komt in het weekend op bezoek.
Sie hat ihrer Enkelin ein Buch geschenkt.
Síe hat íhrer Énkelin ein Búch geschénkt.
Ze heeft haar kleindochter een boek gegeven.
Unsere kleine Enkelin lernt gerade laufen.
Únsere kléine Énkelin lérnt geráde láufen.
Onze kleine kleindochter leert net lopen.
Synoniemen
Collocaties
meine Enkelin
die kleine Enkelin
eine Enkelin haben
der Enkelin etwas schenken
AI-gegenereerd