1
zelfstandig naamwoordvrouwelijk; meervoud Familien; [C]
Een familie; een groep mensen die door bloedverwantschap, huwelijk, partnerschap of adoptie met elkaar verwant zijn.
Famílie
Uitspraak
Etymologie
Ontleend aan het Latijnse familia, dat ‘huishouden, familie, dienaren’ betekent, gedeeltelijk via het Franse famille.
Voorbeelden
Meine Familie wohnt in Berlin.
Méine Famílie wóhnt in Berlíin.
Mijn familie woont in Berlijn.
Wir besuchen am Sonntag die Familie.
Wír besúchen am Sónntag die Famílie.
We bezoeken op zondag de familie.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd