1
zelfstandig naamwoordM [C]
Een vis; een aquatisch gewerveld dier met kieuwen en meestal vinnen.
Físch
Uitspraak
Etymologie
Uit het Middelhoogduits visch, uit het Oudhoogduits fisc, uiteindelijk uit het Proto-Germaans *fiskaz.
Voorbeelden
Der Fisch schwimmt im klaren Wasser.
Der Físch schwímmt im kláren Wásser.
De vis zwemt in het heldere water.
Im See gibt es viele Fische.
Im Sée gíbt es víele Físche.
Er zitten veel vissen in het meer.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd