1
zelfstandig naamwoord[U]; onzijdig: het vlees
vlees; het eetbare spierweefsel van dieren dat als voedsel wordt gebruikt
'Fleisch
Uitspraak
Etymologie
Uit het Middelhoogduitse vleisch, Oudhoogduitse fleisc, uit een West-Germaans zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘vlees, vleesvlees’. Verwant met het Engelse flesh.
Voorbeelden
Ich esse kein Fleisch.
Ich 'esse kein 'Fleisch.
Ik eet geen vlees.
Das Fleisch muss gut durchgebraten sein.
Das 'Fleisch muss gut 'durchgebraten sein.
Het vlees moet goed doorbakken zijn.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd