1
zelfstandig naamwoordvrouwelijk; meervoud Frauen; [C]
een volwassen vrouwelijk mens; een vrouw
'Frau
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudhoogduitse frouwa, met de betekenis „dame, meesteres”, verwant aan oudere Germaanse woorden voor een vrouw van hoge rang.
Voorbeelden
Die Frau wartet an der Haltestelle.
'Die 'Frau 'wartet an der 'Haltestelle.
De vrouw wacht bij de bushalte.
Eine junge Frau betrat den Laden.
'Eine 'junge 'Frau betrat den 'Laden.
Een jonge vrouw betrad de winkel.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd