1
zelfstandig naamwoord[C, U]
vreugde, geluk of blijdschap; een gevoel van groot plezier of tevredenheid
Fréude
Uitspraak
Etymologie
Uit Middelhoogduits vreude, uit Oudhoogduits frewida, verwant aan froh, dat "blij" of "gelukkig" betekent.
Voorbeelden
Ihre Freude war groß.
Íhre Fréude war gróß.
Haar vreugde was groot.
Das Geschenk machte ihm große Freude.
Das Geschénk máchte ihm gróße Fréude.
Het geschenk bezorgde hem veel plezier.
Collocaties
AI-gegenereerd