1
zelfstandig naamwoord[C]; onzijdig: das Kind; meervoud: die Kinder
Een kind; een jong mens, vooral vóór de puberteit.
Kínd
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudhoogduitse kind, uit het Proto-Germaans *kindą, verwant met woorden die ‘nakomeling’ of ‘dat wat geboren is’ betekenen.
Voorbeelden
Das Kind spielt im Garten.
Das Kínd spíelt im Gárten.
Het kind speelt in de tuin.
Die Kinder gehen zur Schule.
Die Kínder géhen zur Schúle.
De kinderen gaan naar school.
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd