1
zelfstandig naamwoord[C]; vrouwelijk: die Orange; meervoud: Orangen
Een ronde citrusvrucht met een dikke oranje schil en zoet, sappig vruchtvlees.
Oránge
Uitspraak
Etymologie
Ontleend aan het Franse orange, uiteindelijk uit het Arabische nāranj en het Perzische nārang, via het Sanskriet nāraṅga.
Voorbeelden
Ich schäle eine Orange.
Ích schäle eine Oránge.
Ik pel een sinaasappel.
Die Orange ist sehr saftig.
Die Oránge ist sehr sáftig.
De sinaasappel is erg sappig.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd