1
werkwoord[T, I]
iets sluiten, dichtdoen of op slot doen, zoals een deur, raam, winkel of container
schlíeßen
Uitspraak
Etymologie
Uit het Middelhoogduitse sliezen, uit het Oudhoogduitse sliozan, verwant aan het oudere Germaanse werkwoord voor ‘sluiten, vastmaken, op slot doen’.
Voorbeelden
Bitte schließen Sie die Tür.
Bítte schlíeßen Sie die Túr.
Sluit alstublieft de deur.
Der Laden schließt um acht Uhr.
Der Láden schlíeßt um ácht Úhr.
De winkel sluit om acht uur.
Collocaties
AI-gegenereerd