1
zelfstandig naamwoord[C]
Een groot meubel met deuren en meestal planken of ruimte om kleding op te hangen, gebruikt om kleren, servies, boeken of andere voorwerpen op te bergen; een kast, kabinet of kledingkast.
'Schrank
Uitspraak
Etymologie
From Middle High German schranc, originally meaning a barrier, enclosure, or fenced-off space; related to German schränken in the sense of limiting or enclosing.
Voorbeelden
Der Schrank steht im Schlafzimmer.
Der 'Schrank steht im 'Schlafzimmer.
De kast staat in de slaapkamer.
Ich hänge die Jacke in den Schrank.
Ich 'hänge die 'Jacke in den 'Schrank.
Ik hang de jas in de kast.
Im Schrank stehen die Teller und Gläser.
Im 'Schrank stehen die 'Teller und 'Gläser.
De borden en glazen staan in de kast.
Collocaties
AI-gegenereerd