1
werkwoord[I]; sterk werkwoord: spricht, sprach, gesprochen
spreken, praten of mondeling communiceren
spréchen
Uitspraak
Etymologie
Van Middelhoogduits spreken, uit Oudhoogduits sprehhan, uiteindelijk uit het Proto-Germaans.
Voorbeelden
Wir sprechen jeden Abend miteinander.
Wír spréchen jéden Ábend miteinánder.
We praten elke avond met elkaar.
Kann ich kurz mit dir sprechen?
Kánn ích kúr z mit dír spréchen?
Kan ik even met je spreken?
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd