1
werkwoord[I]; vaak wederkerig/onderling: sich streiten
te redetwisten of ruzie te maken, vooral met een andere persoon
stréiten
Uitspraak
Etymologie
Uit Middelhoogduits strīten en Oudhoogduits strītan, met de betekenis “vechten, twisten, streven”; verwant aan oudere Germaanse woorden voor strijd of conflict.
Voorbeelden
Die Kinder streiten oft um das Spielzeug.
Die Kínder stréiten óft um das Spíelzeug.
De kinderen maken vaak ruzie over het speelgoed.
Wir haben uns gestern gestritten.
Wir háben uns géstern gestrítten.
We hebben gisteren ruzie gehad.
Collocaties
AI-gegenereerd