1
zelfstandig naamwoord[C, U]; vrouwelijk; meervoud: Suppen
een soep; een vloeibaar gerecht, meestal hartig en warm of heet geserveerd, vaak gemaakt van groenten, vlees, vis of peulvruchten
Súppe
Uitspraak
Etymologie
Van Middelhoogduits suppe, van Oudhoogduits supfa, verwant aan werkwoorden die “slurpen” of “drinken” betekenen.
Voorbeelden
Die Suppe ist heiß.
Die Súppe ist héiß.
De soep is heet.
Zum Abendessen gab es eine klare Suppe.
Zum Ábendessen gab es eine kláre Súppe.
Bij het avondeten was er een heldere soep.
Sie kocht eine Suppe aus Linsen.
Sie kócht eine Súppe aus Línsen.
Ze maakt een soep van linzen.
Collocaties
AI-gegenereerd