1
bijvoeglijk naamwoordpredicative and attributive adjective; past participle
afgesloten, op slot of verzegeld zodat het niet zonder sleutel, geweld of toestemming kan worden geopend
ver'schlossen
Uitspraak
Etymologie
Past participle of German verschließen, from the prefix ver- + schließen ‘to close, lock’.
Voorbeelden
Die Tür ist verschlossen.
Die 'Tür ist ver'schlossen.
De deur zit op slot.
Der Umschlag war fest verschlossen.
Der 'Umschlag war 'fest ver'schlossen.
De envelop was stevig verzegeld.
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd