1
zelfstandig naamwoord[U]
vertrouwen; vaste overtuiging dat iemand of iets betrouwbaar, eerlijk, goed of veilig is
Vertráuen
Uitspraak
Etymologie
Derived from the German verb vertrauen, historically related to treu “faithful, loyal.”
Voorbeelden
Ich habe großes Vertrauen in dich.
Ích hábe gróßes Vertráuen in dích.
Ik heb veel vertrouwen in je.
Das Vertrauen der Kunden ist wichtig.
Dás Vertráuen der Kúnden ist wíchtig.
Het vertrouwen van klanten is belangrijk.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd