1
zelfstandig naamwoord[U]
Suiker; een zoete kristallijne stof die wordt gebruikt om voedsel en dranken te zoeten.
Zúcker
Uitspraak
Etymologie
Van Middelhoogduits zucker, van Oudhoogduits zucchar, uiteindelijk via het Italiaans en Latijn uit het Arabisch sukkar, uit het Sanskriet śarkarā.
Voorbeelden
Ich nehme keinen Zucker in den Kaffee.
Ích néhme kéinen Zúcker in den Káffee.
Ik doe geen suiker in mijn koffie.
Der Kuchen enthält viel Zucker.
Dér Kúchen enthält víel Zúcker.
De taart bevat veel suiker.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd